Chaos

Chaos vormt de basis voor creativiteit, hoor ik vaak. Als nog niet alles vastligt in regeltjes en structuren, kan iets nieuws ontstaan. Maar vandaag merk ik dat het averechts werkt: de wanorde – die ik zelf heb laten ontstaan – verhindert mij lekker aan het werk te gaan. Ik verlang ernaar me te kunnen focussen, zonder afleiding. ‘Leegte’ is de oorspronkelijke betekenis van het Griekse woord chaos. Wij hebben daar later een zooitje van gemaakt. Op het moment dat ik dit schrijf, belt er iemand die me een krant wil verkopen. De pakketdienst levert vier zware dozen af voor mijn buurman die niet thuis is. Gauw dit stukje afmaken en naar mijn atelier!

Krantenkop

Haar hele lijf is gevuld met zachte kussenvulling, maar ze heeft een hard hoofd. Het is gevuld met berichten over de kabinetsformatie, plastic soep en Trump. Je zou er koppijn van kunnen krijgen.

De komende weken laat ik het hoofd even rusten, zodat ik werk kan gaan maken en vermaken voor een groepsexpositie in juli. Het kost me even moeite om het los te laten. Ze komt al bijna tot leven.

Idee

“Inspiratie bestaat, maar het moet je wel werkend aantreffen”*, is een mooie uitspraak van Picasso. En dat klopt, als ik aan het werk ben, komen de ideeën vanzelf naar me toe. Zo bedacht ik eens dat het wel gaaf zou zijn om een figuur van stevige stof te naaien en die te vullen met beton. Hoe zou dat eruit zien als je het textiel eraf trekt wanneer het hard is geworden? Ik heb meteen betonmortel gekocht. De zak heeft twee jaar hard staan worden in de kelder.

Gisteren zag ik bij Museum Beelden aan Zee een prachtig, beklemmend beeld van Katinka Kersten: vijf gestapelde betonnen mensfiguren. In de plooien zat nog rafelige stof. Waarschijnlijk was ik uitgekomen op een heel ander resultaat als ik het plan had doorgezet, maar Katinka laat wel mooi zien dat het een uitstekend plan was.

 

* La inspiración existe, pero tiene que encontrarte trabajando.

Groot durven denken

“Gebruik goedkoop materiaal, dan kun je groot werken,” zegt El Anatsui tegen zijn leerlingen. Afgelopen woensdag zag ik enkele relatief kleine werken van hem in de Prins Claus Fonds Galerie. Een film liet zien hoe hij met enkele werknemers veel grotere kunstwerken maakte voor de biënnale in Venetië. Eentje bedekte  de gevel van een Palazzo. Een schitterend gewaad gemaakt van afval. Duizenden aluminium flessendoppen werden daarvoor geplet, geperforeerd en aan elkaar geknoopt: een monnikenwerk.

Omdat ik zelf ook heel goed ben in het bedenken van tijdrovende klussen en  op dezelfde manier ringetjes van metaal of tuinslang aan elkaar knoop, wilde ik deze expositie graag zien. Uiteindelijk heeft de moed van El Anatsui me het meest geïnspireerd. Het lef om je land te verlaten, om mensen in dienst te nemen en om met hen samen grote dingen te maken. Zelf denk ik te vaak dat ik alles alleen moet doen en mijn ideeën onrealistisch zijn. Dat het gekkenwerk is, kortom. Ik neem voortaan een voorbeeld aan El Anatsui, voor wie niets te gek is.

Wanneer is het genoeg?

Het groepje microben is de laatste tijd aardig gegroeid. Er zijn een paar bolbuikige typetjes bijgekomen en een paar kleintjes. Een gezellige familie staat in een bescheiden hoekje van het atelier.

Maar dat is niet genoeg. Ik wil dat ze brutaal de ruimte over nemen, dat je niet meer om ze heen kunt. Dus moet er meer herrie en rotzooi gemaakt worden, moeten er meer wasrekken, tuinmeubels en tafelpoten met een slijptol aan gort worden gezaagd.

En dan weer met veel geduld voorzichtig alles aan elkaar knopen. Net zo lang tot ik er helemaal genoeg van heb.

Biologisch geïnspireerd

Vorige week fotografeerde ik op een wandeling in het bos oranje boomzwammen en mos. Toen ik de foto later terugzag, merkte ik ineens de gelijkenis op met mijn eigen werk van tuinslangringetjes. Met terugwerkende kracht had ik mijn inspiratiebron gevonden.

De overeenkomsten die het meest in het oog springen zijn de kleurencombinatie en de onregelmatige verdeling van de eilandjes oranje over het groen. Maar dat is niet wat mij het meest inspireert. Fascinerend is vooral het woekeren van een organisme, in dit geval de boomzwam. Het laat een grote levenskracht zien. Tegelijkertijd duidt het op ziekte en verval, want de zwam gebruikt de boom als voedingsbodem. Met enzymen onttrekt hij voedingsstoffen uit het hout, waardoor de houtstructuur wordt aangetast.

In de natuur is niets goed of fout, mooi of lelijk. Er schuilt schoonheid in alles.

Rafelrandjes en losse draadjes

‘Ga je het nog verder afwerken?’ vraagt iemand me soms. Het antwoord is nee. Rafelrandjes en losse draadjes horen erbij. We hebben ze allemaal. Ze vertellen ons levensverhaal. Als je ze verbergt, laat je jezelf niet helemaal zien om te voldoen aan een beter, perfecter beeld.

Terwijl al die naadjes en draadjes, al dat herstel- en verstelwerk, juist aantonen hoe hard je je best hebt gedaan om verbeteringen aan te brengen. Dat heel moedig! Het getuigt van flexibiliteit en doorzettingsvermogen. Daarom vind ik het niet erg als ik iets moet verstellen en er nog een stiksel bij moet komen. Het maakt het werk alleen maar mooier, completer. Want ik wil geen perfect beeld neerzetten, ik wil kwetsbaarheid en kracht laten zien.

Frankensteinen

Veel mensen krijgen allerlei gruwelijke associaties bij het zien van een foto van losse vingers of tenen. Het ziet eruit als een amputatie. Ik kan zelf echter helemaal vertederd naar deze kromme vingertjes kijken. Ik zie iets ontstaan. Nieuw leven!

De handen zijn de meest bewerkelijke onderdelen van mijn figuur. Graag verlies ik me helemaal in de details. Vingerkootjes, hart- en levenslijnen, knokkels en nagels; het krijgt allemaal heel veel liefdevolle aandacht. Ik kan er uren in opperste concentratie aan werken. En zo wordt Dokter Frankenstein helemaal zen.

Van binnen naar buiten

Geleidelijk komt er meer vlees op de botten van de nieuwe figuur. Van onder naar boven en van binnen naar buiten bouw ik haar op. Eerst bekleed ik het ijzeren geraamte met canvas en kussenvulling. Dit biedt houvast aan de buitenste laag – de ‘huid’ van kaasdoek – die de uiteindelijke vorm bepaalt.

Deze werkwijze is vrij omslachtig. Het zou efficiënter zijn om eerst een lichaamsvorm te maken en deze vervolgens te omspannen met textiel. Maar die stevigheid, die huid die strak rondom solide vormen sluit, die zoek ik niet. Het moet kwetsbaar zijn. De binnenkant zacht, de buitenkant slechts een dunne, doorlatende barrière. Dat komt overeen met mijn beleving van lichaam en huid.

Menselijkheid en imperfectie

Voor de figuur die ik aan het maken ben, gebruik ik geen model. Ik werk op gevoel en kijk zo af en toe naar mijn eigen hand, voet of knie. Wel heb ik de ijzeren staven van het geraamte langs mijn lichaam gehouden om een indicatie te krijgen van de afmetingen. Het wordt daarom geen perfecte anatomische weergave van een lichaam. Toch ziet het er heel menselijk uit. Ik denk dat juist imperfectie zorgt voor een menselijke, kwetsbare uitstraling.

Gaandeweg zie ik onvolmaaktheden ontstaan. Moet ik deze behouden of wegwerken? Zo zijn de voorvoeten nu wat groot in verhouding tot de slanke benen. Voorlopig houd ik het zo. Het stoort me niet. Integendeel, het levert een mooie tegenstelling op: de figuur staat met haar voeten stevig op de grond, terwijl ze er verder zo fragiel uitziet. Pas als de figuur verder voltooid is, weet ik of het klopt.