Groot durven denken

“Gebruik goedkoop materiaal, dan kun je groot werken,” zegt El Anatsui tegen zijn leerlingen. Afgelopen woensdag zag ik enkele relatief kleine werken van hem in de Prins Claus Fonds Galerie. Een film liet zien hoe hij met enkele werknemers veel grotere kunstwerken maakte voor de biënnale in Venetië. Eentje bedekte  de gevel van een Palazzo. Een schitterend gewaad gemaakt van afval. Duizenden aluminium flessendoppen werden daarvoor geplet, geperforeerd en aan elkaar geknoopt: een monnikenwerk.

Omdat ik zelf ook heel goed ben in het bedenken van tijdrovende klussen en  op dezelfde manier ringetjes van metaal of tuinslang aan elkaar knoop, wilde ik deze expositie graag zien. Uiteindelijk heeft de moed van El Anatsui me het meest geïnspireerd. Het lef om je land te verlaten, om mensen in dienst te nemen en om met hen samen grote dingen te maken. Zelf denk ik te vaak dat ik alles alleen moet doen en mijn ideeën onrealistisch zijn. Dat het gekkenwerk is, kortom. Ik neem voortaan een voorbeeld aan El Anatsui, voor wie niets te gek is.

Wanneer is het genoeg?

Het groepje microben is de laatste tijd aardig gegroeid. Er zijn een paar bolbuikige typetjes bijgekomen en een paar kleintjes. Een gezellige familie staat in een bescheiden hoekje van het atelier.

Maar dat is niet genoeg. Ik wil dat ze brutaal de ruimte over nemen, dat je niet meer om ze heen kunt. Dus moet er meer herrie en rotzooi gemaakt worden, moeten er meer wasrekken, tuinmeubels en tafelpoten met een slijptol aan gort worden gezaagd.

En dan weer met veel geduld voorzichtig alles aan elkaar knopen. Net zo lang tot ik er helemaal genoeg van heb.

Vilt

Fijn om weer een nieuwe techniek te leren. De afgelopen 3 weken heb ik lessen vilten en borduren gevolgd bij Olivera Micovic. In de zomer had ik al eens kennis gemaakt met vilt, bij een workshop van Astrid Polman. Dit kan ik vast een keer toepassen in mijn werk, dacht ik toen al. Want met vilten kun je wol in allerlei vormen boetseren. En het leent zich ook goed voor de schimmel- en mosachtige texturen die ik zo mooi vind. Maar echt een duidelijk plan heb ik nog niet. De ideeën komen vanzelf als ik aan het werk ben en dan is het heel prettig als ik uit verschillende technieken kan kiezen om het te realiseren.

Biologisch geïnspireerd

Vorige week fotografeerde ik op een wandeling in het bos oranje boomzwammen en mos. Toen ik de foto later terugzag, merkte ik ineens de gelijkenis op met mijn eigen werk van tuinslangringetjes. Met terugwerkende kracht had ik mijn inspiratiebron gevonden.

De overeenkomsten die het meest in het oog springen zijn de kleurencombinatie en de onregelmatige verdeling van de eilandjes oranje over het groen. Maar dat is niet wat mij het meest inspireert. Fascinerend is vooral het woekeren van een organisme, in dit geval de boomzwam. Het laat een grote levenskracht zien. Tegelijkertijd duidt het op ziekte en verval, want de zwam gebruikt de boom als voedingsbodem. Met enzymen onttrekt hij voedingsstoffen uit het hout, waardoor de houtstructuur wordt aangetast.

In de natuur is niets goed of fout, mooi of lelijk. Er schuilt schoonheid in alles.

Rafelrandjes en losse draadjes

‘Ga je het nog verder afwerken?’ vraagt iemand me soms. Het antwoord is nee. Rafelrandjes en losse draadjes horen erbij. We hebben ze allemaal. Ze vertellen ons levensverhaal. Als je ze verbergt, laat je jezelf niet helemaal zien om te voldoen aan een beter, perfecter beeld.

Terwijl al die naadjes en draadjes, al dat herstel- en verstelwerk, juist aantonen hoe hard je je best hebt gedaan om verbeteringen aan te brengen. Dat heel moedig! Het getuigt van flexibiliteit en doorzettingsvermogen. Daarom vind ik het niet erg als ik iets moet verstellen en er nog een stiksel bij moet komen. Het maakt het werk alleen maar mooier, completer. Want ik wil geen perfect beeld neerzetten, ik wil kwetsbaarheid en kracht laten zien.

Frankensteinen (2)

In de bioscoop zag ik pas een poster van Logan: een film over een mutant met enge ijzeren uitsteeksels aan zijn hand. Daar moest ik aan denken toen ik de handen aan mijn figuur ging zetten. Om ze voldoende stevigheid en expressie te geven, heb ik er ijzerdraad in gedaan. Met alleen naald en draad is het moeilijk om de juiste kromming en spreiding van de vingers te krijgen. Bij deze figuur passen geen slappe handjes.

Frankensteinen

Veel mensen krijgen allerlei gruwelijke associaties bij het zien van een foto van losse vingers of tenen. Het ziet eruit als een amputatie. Ik kan zelf echter helemaal vertederd naar deze kromme vingertjes kijken. Ik zie iets ontstaan. Nieuw leven!

De handen zijn de meest bewerkelijke onderdelen van mijn figuur. Graag verlies ik me helemaal in de details. Vingerkootjes, hart- en levenslijnen, knokkels en nagels; het krijgt allemaal heel veel liefdevolle aandacht. Ik kan er uren in opperste concentratie aan werken. En zo wordt Dokter Frankenstein helemaal zen.

Van binnen naar buiten

Geleidelijk komt er meer vlees op de botten van de nieuwe figuur. Van onder naar boven en van binnen naar buiten bouw ik haar op. Eerst bekleed ik het ijzeren geraamte met canvas en kussenvulling. Dit biedt houvast aan de buitenste laag – de ‘huid’ van kaasdoek – die de uiteindelijke vorm bepaalt.

Deze werkwijze is vrij omslachtig. Het zou efficiënter zijn om eerst een lichaamsvorm te maken en deze vervolgens te omspannen met textiel. Maar die stevigheid, die huid die strak rondom solide vormen sluit, die zoek ik niet. Het moet kwetsbaar zijn. De binnenkant zacht, de buitenkant slechts een dunne, doorlatende barrière. Dat komt overeen met mijn beleving van lichaam en huid.